Afbeelding
Winfried Leeman, Wijk Bij Duurstede

Publieksprijs Wijk Schrijft: Ongezien - door Jeanine Stooker (9)

31 december 2025 om 09:09 Evenementen Wijks Nieuws Publieksprijs

In het donker zien ze hem niet.

Hij heeft wat hij hebben wil en springt op zijn fiets. Tegen de wind, kromgebogen over zijn stuur, baant hij zichzelf een weg door de weilanden, richting de Trechtweg. Een straatlantaarn geeft iets te veel licht naar zijn zin, maar hij heeft de zaak nog in handen – en dat weet hij. Zelden heeft hij zoveel macht en verdriet gehad.

In het donker zien ze haar niet.

Ze steekt een sigaret op en scrollt op haar telefoon. Veilig in het duister geniet ze van de kalmte en frisse lucht. Een robuuste voorbijganger lijkt iets te verdacht naar haar zin, maar toch ook vaag bekend. Zij zal hem op haar motor op veilige afstand kunnen bijhouden – en dat weet zij. Zelden heeft zij zoveel wantrouwen en adrenaline gehad.

Hij bevindt zich inmiddels op de Trekweg. Tot zijn grote ergernis komt een scooterbezorger van Domino’s hem tegemoet. Heeft hij hem gezien? Zal hij zijn eventuele twijfels delen met zijn manager? Hij weet dat hij nu snel moet zijn en fietst in volle vaart verder. Hij komt in recordtijd aan op de Geerweg en besluit via een bruggetje de Geer in te gaan, richting de Cato. Gaat het hem lukken om op tijd veilig zijn huis te bereiken?Hij fietst verder, maar hoort op dat moment al sirenes, alsof de nacht hem waarschuwt. In de Geer slaat hij een paar keer af, maar hoort piepende banden naderen. Vakkundig slaat hij de hoeken om. Hij verliest in een bocht bijna zijn evenwicht, maar weet zich te herpakken. Licht en schaduwen komen hier samen, en hij weet dat elke schaduw nu een agent zou kunnen zijn. Hij blijft zijn achtervolgers nog altijd voor en bouwt zelfs meer ruimte tussen hen op. Maar voor hoe lang?Hij steekt de Boterslootweg over en fietst de steeg in zonder om te kijken, want hij weet dat ze nu dichtbij zijn. Hij komt bij de kinderboerderij aan en smijt zijn fiets aan de kant. Snel en bekwaam klimt hij over het hek heen, en scheurt zijn jas aan het prikkeldraad. Hij landt behendig op de grond en rent langs de schapen door naar de hooiberg. Verscholen tussen de geiten proberen zijn ogen te wennen aan het duister. Hij hoort de stemmen al dichterbij komen, en hij houdt zijn adem in. Een skibidi-schaap blatert, en snelle zaklampen richten zich op het terrein. “Dit is het, nu is het klaar,” denkt hij. Maar tot zijn grote verbazing hoort hij de agenten wegrennen – weg bij hem vandaan. Hij blaast zijn adem uit, blij dat hij de agenten voor nu heeft afgeschud. Hij wacht nog een tijdje voor de zekerheid, maar beseft: hij moet weer in beweging komen. Hij staat op en zet het op een rennen richting de Tunneloven, snel en ongezien.

Of nou ja, ongezien? Hij ziet een motor naderen. Zag hij die niet eerder deze avond al in Cothen? “Nee, dat kan niet,” maakt hij zichzelf wijs. Hij negeert de motorrijder en rent verder via binnendoorweggetjes. In gedachten verzonken overdenkt hij zijn keuzes, maar wordt opgeschrikt door een stem achter zich. “Wat ben jij precies van plan?” Hij draait zich om en ziet de slanke motorrijder die hij al twee keer eerder deze avond heeft gezien. Hij antwoordt zo nonchalant mogelijk: “Gewoon, je weet wel, een avondwandeling.” “Wandelen?” “Joggen.” “Joggen?” “Hardlopen! Nou goed? Hardlopen…” herhaalt ze. “Zonder lampjes, midden in de nacht, in een donkere spijkerbroek en hoodie? Ik zou bijna denken dat je vooral niet gezien wilt worden.” “Ik wil vooral niet gestoord worden. Dus als je het niet erg vindt, dan ga ik er weer vandoor. De groeten.”

Hij rent weer weg en komt aan bij een hoofdweg. Tot zijn grote opluchting is hij alleen. Hij rent verder richting de binnenstad, bijna bij zijn doel. Zigzaggend door hekjes steekt hij even later een bruggetje over. De kerkklok slaat: er zijn wéér vijftien minuten voorbij. Hoe kan hij al zo lang op de vlucht zijn? Hoe lang gaat hij dit nog kunnen volhouden? Elke stap die hij zet is zwaarder dan de vorige, maar hij weet dat hij hier niet kan stoppen. Niet hier. Niet nu. Hij rent de Volderstraat in, vluchtig om zich heen kijkend. In de verte hoort hij sirenes. Beeldt hij het zich nou in, of zag hij weer een zaklamp? Hij kijkt vluchtig om zich heen, hoort nu ook stemmen dichterbij komen. Hij weet het zeker: de agenten zijn weer in de buurt. Hij moet nu snel zijn en zal niet schromen om zijn buit veilig thuis op te bergen. Daarom rent hij de Volderstraat uit en komt aan in het Kasteelpark. Dankbaar voor alle bomen en schaduwen hier kijkt hij naar de sterren. Hij vraagt zich af of de sterren goed staan, of er nog kans is op succes. Hij hoort het geluid van de pont die aanmeert in de verte. Als hij de overkant weet te halen, kan hem dat een grote voorsprong geven op de politie. Maar dan ineens voelt hij een scherpe pijn, en bijna tegelijkertijd valt hij met een harde smak op de grond. Hij kijkt op, en zijn kwade gezicht verandert in verbazing.

“Je hebt écht wel lef, hè? In het donker een wilde achtervolging inzetten op je motor. Mag ik even bekennen: stoere meid.” “Och, hou op met je praatjes,” is het antwoord terug. “Geef aan mij wat niet van jou is, en we hebben het er niet meer over.” “Kan je me niet gewoon met rust laten?” “Ja. Ik ben je van Cothen helemaal tot het Kasteelpark achterna gekomen, je onderuit gehaald, om je vervolgens zomaar met rust te laten?” “Dat zou wel het verstandigste voor je zijn,” is zijn snelle antwoord. “Wat heb je gestolen?” “Wil ik wel zeggen, maar dan zou ik je moeten uitschakelen.” “Eh… ik schakel je sowieso uit.” “Oh ja?” snauwde ze terug. “Want dan…” Maar voordat ze haar zin kon afmaken, ligt zij op de grond – de man bovenop haar, met zijn knie op haar ribben. Een vlaag alcohollucht, gemengd met een geur van wiet, bereikt haar nu. “Ik dacht al dat dat het antwoord zou zijn,” zegt hij. Ze probeert op te staan, maar hij houdt haar met zijn knie op haar plaats. Ze probeert nog steeds overeind te komen, maar nu grijpt hij haar pols, waardoor ze weer onderuit valt. Vloekend in zichzelf bestudeert ze zijn gezicht, dat nu ineens zichtbaar is. Het eerste wat haar opvalt, is een litteken links op zijn kin. Het dimme licht verraadt wat sproetjes op zijn wangen. Zijn donkere haar oogt warrig, en daarna durft ze hem voor het eerst in zijn bruine ogen aan te kijken – waarin woede en frustratie af te lezen is. “En trouwens, hoe wist je mij te vinden? Ik dacht dat ik je had afgeschud.”
“Wil ik wel zeggen, maar dan zou ik je moeten uitschakelen,” is haar reactie, nog steeds vechtend om iets losser te komen. “Juist ja,” is zijn antwoord. Hij verhoogt de druk van zijn knie. Ze voelt nu minstens twee van haar ribben breken. “Het was niet slim van je om mij lastig te vallen,” zegt hij. Beiden kijken ze elkaar aan, zonder wat te zeggen. Nu rust zijn andere stevige hand op haar keel, maar hij beseft tot zijn grote ergernis dat hij niet wil doorzetten. Iets in haar blik doet hem aarzelen: haar blauwe ogen stralen zelfverzekerdheid uit, duidelijk niet van plan om op te geven.“Verdomme, maak het me nou niet lastig!” “Ey, als je wilt vloeken, moet je geiten houden.” zegt zij. “Wat?” “Wat ik zeg. Als je wilt vloeken, moet je geiten houden: die slopen alles nog voordat je iets kan maken.”

Even voelt hij zich van zijn stuk gebracht, maar hij herpakt zich.“Leeg je zakken,” zegt hij ineens.“Dat gaat een beetje lastig, hè, als je mij geen bewegingsruimte geeft,” zegt ze.“Je bent sterker dan je eruitziet,” bekent hij weer. Met een geërgerde zucht leegt ze één zak, maar blijft hem strak aankijken. “Wat heeft het voor nut om mijn sleutels af te geven als je me toch gaat proberen te vermoorden?” “‘Proberen te vermoorden’?” herhaalt hij. “Ten eerste: ik zal niet proberen te vermoorden – ik zál je vermoorden als ik dat zou willen. En ten tweede: ik ga je uitschakelen, niet vermoorden. Dat zei ik toch al?” Hij zoekt naar nog meer woorden, van slag door haar lef. Maar tegelijkertijd voelt hij ineens een harde stok tegen zijn slaap aankomen. Hij ziet sterretjes en valt op de grond. Zij weet zich van zijn greep los te maken en komt rechtop te staan.

“Oeh, je hebt pit, daar hou ik wel van,” is zijn eerste reactie terwijl hij weer overeind komt. “Maar ik ben hier niet om mijn tijd te verspillen… ik heb haast, weet je.” “En juist dat baart mij zorgen…” is haar snelle reactie terug. “En juist daarom ga ik ervandoor,” zegt hij, terwijl hij zich omdraait en wegsprint. Zo snel als hij kan, sprint hij weg, maar hij komt niet verder dan twintig meter: hij struikelt over een gespannen touw en valt ellendig op de grond. Als hij opkijkt, ziet hij de vrouw weer – naast hem geknield. Hij was sterker, zij duidelijk slimmer. “Jij weet ook niet van ophouden, hè?” “Ik wist dat je uiteindelijk weer zou proberen te vluchten, dus ik maakte een backup. Ik zou trouwens je enkel maar laten nakijken – daar ga je last van krijgen, morgen.” Hij probeert op te staan, maar voelt iets kouds tegen zijn nek.“Verzetten heeft geen zin meer. Dus geef op wat niet van jou is,” zegt zij. “En als ik dat niet doe?” antwoordt hij uitdagend. “Dan maar kwaadschiks. Al zou ik het zonde van dit mes vinden als jouw bloed erop komt.” Plots begint het te regenen. “Straks gaat het nog onweren,” probeert hij nog. “Welnee, de wind komt vanuit Rijswijk, dus kan het niet onweren hier. Iets met warme lucht die nodig is voor onweer, en lucht die afkoelt als het over water moet. Weet je wel?” is haar antwoord. “Dus ik heb echt alle tijd. Jij volgens mij niet.” Weer een lange stilte. Hij weet dat het voorbij is. Met grote tegenzin geeft hij de enveloppe en kijkt de vrouw nu indringend aan. Haar blonde, lange vlecht maakt nu plaats voor een tattoo die zichtbaar wordt: een tattoo in haar nek. Behoedzaam opent ze de enveloppe – en tot haar verbazing is het een vakantiefoto, met daarbij een familiefoto toegevoegd. Deze foto’s heeft ze vaak eerder in handen gehad, jaren geleden. Ze bestudeert de foto en vergelijkt het beeld met de man die ze nog altijd in haar houdgreep heeft. Nu weet ze waar ze hem van herkent.“Waar heb je dit vandaan?” vraagt ze. “Je hebt het gestolen van het politiebureau, of niet soms?” “Hoe weet je dat? Herken je het!?” sist de man, zich bewust dat hij niet te veel geluid moet maken. “Van jaren geleden,” antwoordt de vrouw. Nu laat ze de man volledig los, waarna ze zich beduusd op de grond laat vallen.

“Toevallig was ik degene die op deze zaak stond, zo’n zeven jaar geleden,” antwoordde ze. “Deze jonge vrouw verdween kort na haar vakantie. Uiteindelijk is deze zaak gesloten, maar in mijn nachtmerries achtervolgt het mij nog altijd. Er was gewoonweg te weinig bewijs, te weinig aanwijzingen. Dus laat me je dit vragen: wat is er in jou losgemaakt vanavond?” Afwezig houdt de man nu een kettinkje om zijn nek vast, kijkend naar de verte. “Omdat moeders mij iets vertelde. Op haar sterfbed. Deze avond.”Na een korte stilte vervolgt hij: “Ze zei dat de oplossing altijd al in de foto had moeten staan. En dat ik het zo snel mogelijk terug moest halen.” “Daarom heb ik het gestolen bij het politiebureau. Om het haar te geven. Maar ik was te laat… Ik wilde het veilig bij mij thuis opbergen, maar al snel had ik de politie al op mijn hielen.” “Het spijt me van je moeder,” zei de vrouw, zich ondertussen bewust van schijnende zaklampen die nu dichterbij kwamen. “Waarom hebben jij en je moeder niet eerder de foto teruggevraagd?” “Om redenen, oké?” “Waarom ben je gestopt bij de politie?” vraagt de man. “Je had duidelijk nog werk te doen, zo te zien,” voegt hij eraan toe. “Om redenen, oké?” antwoordt ze terug. “Maar je moet begrijpen: we liepen op een dood spoor en moesten uiteindelijk accepteren dat je lieve zusje er niet meer was…” “Dat dacht ik uiteindelijk ook. Totdat ik dit vanavond op de foto zag.” De man wijst naar het boekje. “Zie je die kaft? Er staat: 60.130961, 6.754425 … . .-… .–. Dit rode boekje had ze altijd bij zich, maar de kaft is absoluut anders dan voorheen.”“Shit, je hebt gelijk… dat is mij altijd ontgaan!” “Ben je er al achter wat het betekent?” vraagt de vrouw nu voorzichtig. “Dat wilde ik wel uitvogelen, maar toen werd ik opgejaagd door een of andere ex-smeris, zo te zien.” “Toevallig weet deze ex-smeris dat dit een coördinaat is, gecombineerd met morsecode,” antwoordde de vrouw. “En het is nogal wat, wat er staat… je zusje vroeg hier om hulp.”De vrouw vervolgt: “Zet deze coördinaat in Maps, en ga op zoek naar je zusje. Ik zou je niet langer ophouden.” “Je houdt me niet op. Ik denk zelfs dat je mij prima kunt helpen.”

En daarna voegde hij eraan toe: “Dus lever je telefoon en mes in, en kom mee.” “Is dit een gijzeling?” “Niet zolang je vrijwillig meegaat. Dus als ik jou was, zou ik meewerken.”Ze stonden tegenover elkaar. Ze zouden elkaar moeten haten, maar die haat is inmiddels lang niet meer zo duidelijk. Sirenes kwamen hun kant op terwijl de man de 9292-app opent. Beiden hebben ze geheimen, maar beiden hebben ze nu hetzelfde doel.Na een kort stuk rennen (zij nog altijd met haar hand op haar pijnlijke ribben, hij nogal mank), komen ze aan bij de Steenstraat – net als bus 41 in de verte komt aanrijden. Ze wisselen een korte blik naar elkaar uit en stappen samen de bus in, met de politie nog altijd op hun hielen.

Maar……….In het donker zien ze hen niet. Zelden hebben de agenten zoveel irritaties en faalmomenten gehad.

Dit is één van de tien verhalen die meedingt naar de Wijks Nieuws Publieksprijs. De verhalen zijn opgehaald door Marc Greatz met zijn project WijkSchrijft, onderdeel van Wijk725. De tien verhalen worden van 27 tot en met 31 december op WijksNieuws.nl online gezet. Elke dag komen er twee nieuwe verhalen online. Let op, want op 1 januari gaat de stemmodule open op WijksNieuws.nl en kunt u tot en met 8 januari stemmen op uw favoriete verhaal. Voor de winnaar van de Wijks Nieuws Publieksprijs heeft de redactie een bijzondere prijs in petto. Ook iemand die zijn stem uitbrengt maakt kans op een prijs.


Mail de redactie
Meld een correctie

advertentie
advertentie