Via de Wmo wordt geregeld dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Sinds 2015 ligt de uitvoering van deze taak bij de gemeente. Mensen kunnen daar voor verschillende maatwerkvoorzieningen terecht: zaken als ondersteuning in huis of medische hulpmiddelen als een rolstoel zijn hier voorbeelden van. 

Het CBS krijgt jaarlijks van het grootste deel van de gemeenten doorgegeven hoeveel mensen er gebruik maken van de Wmo.

De cijfers in de Kromme Rijnstreek luiden als volgt:

BUNNIK In Bunnik maakten vorig jaar 830 personen gebruik van Wmo-maatwerk. In 2018 waren dat er nog 795; een stijging van 4% dus. Het aantal Wmo-cliënten per duizend inwoners steeg in Bunnik van 52 in 2018 naar 55 in 2019. 

WIJK BIJ DUURSTEDE Het aantal personen in Wijk bij Duurstede dat gebruik maakt van Wmo-maatwerk steeg van 1195 in 2018 naar 1250 vorig jaar; een stijging van 4,4%. Daarmee kende Wijk 53 Wmo-cliënten per duizend inwoners, tegenover 50 in 2018. 

HOUTEN De grootste stijging in de Kromme Rijnstreek deed zich voor in de gemeente Houten. Daar gebruikten afgelopen jaar 1635 personen WMO-maatwerk; een plus van 6,5% ten opzichte van de 1535 in 2018. Het aantal Wmo-cliënten per duizend inwoners steeg in Houten van 31 naar 33. 

BESCHEIDEN STIJGING Het zijn overigens zeer bescheiden stijgingen ten opzichte van sommige andere gemeenten in Nederland:

  • In het nabijgelegen Zeist steeg het aantal mensen met 'Wmo-maatwerk' met 9,2% en in De Bilt zelfs met 22,1%. Het hardst steeg deze groep in de gemeente Lochem (+ 129,5 procent). In het Limburgse Gulpen-Wittem en in Zoeterwoude verdubbelde het aantal Wmo-cliënten ook bijna.
  • Kijken we naar grotere gemeenten, dan vallen onder meer Lelystad (+39,3 procent) en Enschede (+29,9 procent) op als gemeenten met een flinke stijging. 
  • In 21 gemeenten daalde het aantal Wmo-cliënten: in Haarlemmermeer (-34,1 procent) was deze daling relatief het grootst. 


HULPMIDDELEN EN DIENSTEN De meeste cliënten met een Wmo-maatwerkvoorziening (65 procent) maakten gebruik van hulpmiddelen en diensten als een rolstoel, een woningaanpassing of een vervoersdienst. 38 procent van de cliënten kreeg hulp bij het huishouden, 27 procent had ondersteuning thuis, bijvoorbeeld in de vorm van persoonlijke verzorging of dagbesteding. Een kleine groep (4 procent) van de Wmo-cliënten maakte gebruik van verblijf en opvang, vooral in de vorm van beschermd wonen. Uiteraard kunnen mensen gebruikmaken van combinaties van voorzieningen. 

MEER WMO-GEBRUIK LAGE INKOMENS In de lagere inkomensgroepen maken relatief de meeste mensen gebruik van maatwerkvoorzieningen. In 2019 waren 196 van elke duizend inwoners met een huishoudensinkomen van minder dan 20 duizend euro een Wmo-cliënt. Van de middengroep met een huishoudensinkomen tussen 20 duizend en 40 duizend euro waren dat er 115 per duizend. In de hoogste inkomensgroep (meer dan 40 duizend euro) is het gebruik van Wmo-maatwerkvoorzieningen het laagst, 23 van elke duizend inwoners.

VOORDEEL VOOR HOGERE INKOMENS Gemeenten vragen doorgaans een eigen bijdrage voor de Wmo. Tot aan 1 januari 2019 was de hoogte van dit bedrag inkomensafhankelijk, in 2019 was er sprake van een vast tarief van 17,50 euro per vier weken.  Vooral voor de hogere inkomens zal de eigen bijdrage in 2019 daardoor lager zijn dan voorheen. In de voorlopige cijfers van 2019 is een relatief sterke stijging van het gebruik van hulp bij het huishouden te zien bij de midden- en hoge inkomens. De laatsten zijn echter een kleine groep. Bij de hoge inkomens nam het gebruik van hulp bij het huishouden toe van 3 cliënten per duizend inwoners in 2018 tot 5 per duizend in 2019. Bij de middeninkomens nam het toe van 39 tot 47 cliënten per duizend inwoners. Het is op basis van deze cijfers niet te zeggen in welke mate de veranderde eigen bijdrage een rol speelt. Bij de andere typen voorziening zijn de verschillen minder groot.

door Louis van Oort